de kers op de rottende taart

… we vroegen ons af hoe die rottende taart er dan wel uit zag, toen we deze gevleugelde uitspraak een tijdje geleden op de radio hoorden tijdens de afwas en of er al wormen uit de taart kwamen en waarom er een kers op moest, en waarom geen drol en ik bedacht dat ik een blogje moest schrijven met deze titel nu we toch een regering hebben en ik mijn blogzwijgprotest rustig kan doorbreken, net zoals anderen – in normale omstandigheden door de band genomen meestal mannen – hun baard afscheren of stoppen met friet eten, een blogzwijgprotest dat slechts laattijdig en volkomen onbewust is op gang gekomen maar erg rustgevend was, dat geef ik toe, al merk ik dat ik – eenmaal beginnend te schrijven – wel erg veel genot beleef aan het puntloze getokkel dat een zekere intoxicatie uitlokt dus daarom doe ik het misschien toch nog hoewel ik er even aan dacht er voorgoed een einde aan te maken aan dat geblog wegens gewenning aan het niet-doen – net zoals Obama die met thanksgiving vergat zijn kalkoen te zegenen, zo de godsvloek over het Amerikaanse volk uitsprak en meteen bewees dat hij onder dat frakske van beschaving – wordt zijn vel niet bleker en bleker naarmate hij langer president is? – toch nog altijd een Rooie Rakker is, was het maar waar, en waar moeten we in vredesnaam nog indignado gaan spelen, in onze achtertuin als er te veel molshopen verschijnen, stampvoetend hossen we rond en springen op en neer tot ze er horendul van worden, het is examentijd, mijn kinderen studeren de vreemdste dingen, sinussen en hannibal over de alpen, de sukkel hield maar één olifant meer over en moest er daarna het loodje bij leggen omdat hij getwijfeld had bij het platbranden van Rome waarvan Rome handig gebruik maakte om hem dan maar dezelfde poets te bakken en graag wens ik wijlen mijn moeder hierbij te citeren, die een heldin was in de nog veel gevleugelder woorden waar Ward de Bever een puntje aan kan zuigen, met name Kitje mie, Kitje were, zei ze, poets wederom poets, meestal betrekking hebbend op broeder-zusterlijk gekibbel, maar toepasbaar op de hele wereldgeschiedenis, of misschien op deze wijze in het Beschaafd Belgies te vertalen :Wie een taart gooit naar een ander, eet hem zelf op, en als u mij nu wilt verontschuldigen, ik moet dringend een tros lichtgevende kerstmannetjes ophangen…

Geplaatst in amusement, wereld | 2 reacties

Occupy Wet Street (en gooi meteen ook uw lichtbak buiten)

Op de ochtendtrein grabbelt een stevig gebouwde dertiger op weg naar obesitas met onverholen gretigheid in een kleurige plastic zak die chocoladebrood (met echte stukjes chocolade) adverteert. Een sneetje en dan nog eentje, en dan eentje om het af te leren, en een laatste omdat we er bijna zijn. Een echt smoefelaartje.
Dat de uiterste verbruiksdatum van zijn brood drie maanden in de toekomst ligt en er iemand stinkend rijk wordt op zijn ongezondheid, zou hij daar ooit van wakker liggen?

Langzaam haalt de wetenschap de intuïtie in. Mijn kwaliteitskrant die zich te buiten gaat in de pittige selectieve weetjes, vertelt me wat goed voor me is. Bomen zijn goed voor me. Dat is al enkele dagen statistisch bewezen. In tegenstelling tot fabrieksbrood, bevorderen ze het welbevinden op langere termijn. Onder een boom gaat alles beter. Wat een opluchting dat ik niet heb zitten wachten op de verspreiding van dit bericht.

Waar ik ook niet op heb zitten wachten, en wat me enige gefronste wenkbrauwen heeft bezorgd, is de beslissing om geen tv in huis te halen. Ook niet omwille van de kinderen. Zeker niet omwille van de kinderen. “Maar ze moeten toch mee zijn?” is een veelgestelde vraag. Ik heb nooit begrepen waarmee. Mijn kinderen zijn ondertussen best trots op dat tv-loos leven en halen hun schouders op als er commentaar komt. “Ik zou doodgaan zonder,” zei een vriendinnetje onlangs tegen mijn jongste dochter. Het omgekeerde is echter waar. Je gaat vroeger dood mét. Je wordt daarenboven gevoelig dommer, slomer, suikerzieker, alzheimeriger. Benieuwd echter hoeveel bewuste burgers er na het lezen van alle onweerlegbare bewijsmateriaal hun kankerbak op de schroothoop gooien.

Nu die andere lichtbak nog.

Over kamikazekonijnen gesproken: Graag was ik de voorbije dagen een vlieg geweest tegen het plafond van de anderzijds vlekkeloze kantoren van een Brave Slechte Bank, schoongemaakt tegen een hongerloon door zwarte madammekes die het daglicht niet mogen zien.

“Ge hebt er toch weer een ongelooflijk zootje van gemaakt!”
“Wij? Nee hoor. De conjunctuur, die heeft het gedaan. Wij hebben alleen maar gegozzeld, gegokt, gegulzigd, gegraaid. Maar als het niet van de conjunctuur was geweest…”
“Dus zullen we u moeten redden. Dat is onze heilige plicht. Voor volk en vaderland.”
“Dank u. Ik had niets anders verwacht. In ruil daarvoor zullen we discreet zijn met het uitbetalen van de eindejaarsbonussen voor de topmanagers. Een witte envelop zonder opschrift en geen kaviaar bij de toastjes.”
“En wat zeggen we tegen de kleine belastingbetaler?”
“Dat hij zijn broeksriempje nog een gaatje verder moet dichtsnoeren. We zullen hem een sleutelhanger geven met Nieuwjaar als blijk van vertrouwen.
“Niet overdrijven. Hou het low profile. En zorg dat het geen derde keer gebeurt!”
“Ach kom nou. Als het regent, knippen we toch allemaal onze paraplu open. Wie er geen heeft, krijgt alle druppels. Eigen schuld, dikke bult. Zangerige burgemeesters doen het, rondbuikige ex-politici doen het, je zou nat worden als je het niet doet.”
“U heeft gelijk. Als de Haan driemaal kraait, stoot de steenezel zich tegen dezelfde pot die de ketel verwijt dat hij een doorn in het oog heeft.”
“Een waarheid als een verdronken koe. Mag ik u nu uitnodigen voor een kleine versnapering in mijn zevensterrenhotelletje?”

Geplaatst in amusement | Een reactie plaatsen

met sterretje

Soms maak ik mijn spam-brievenbus leeg. Daarin vragen valse advocaten, weeskinderen, banken en loterijen mijn onverdeelde aandacht. Met een klik op de knop zijn ze verpulverd.

Soms maak ik mijn hoofd leeg. Dat duurt een beetje langer. En lukt nooit helemaal.

Daarin ontmoet ik een dame die een heel erg lelijke paraplu kocht omdat het opeens was beginnen regenen. Ze zei dat het al haar vijftiende paraplu was en dat die niet in een tasje hoefde. En het plastiekje mocht er ook af. ’t Was om direct te gebruiken. Ik had ook geen jas bij. Ik kreeg wel een tasje. Die hield ik boven mijn hoofd. Dat vond ik grappig. Dus liep ik lachend door de regen. Zou de dame met haar lelijke paraplu gelachen hebben?

In mijn hoofd zit eveneens een briesende eekhoorn. Ik vond hem in een hoge spar in het bosje bij het Galmende Klooster waar ik deze keer mijn vrijwel jaarlijkse confrontatie met het Niets aanga. Hij maakte heel bedreigende tsstss-geluiden en hoe ik er hem ook probeerde van te overtuigen dat ik niets kwaads in zin had, het lukte mij niet. Het arme beest had al te veel loze beloftes meegemaakt. In dat Galmende Klooster hadden zich honderden gelovigen van allerlei slag verzameld. Sommigen waren ervan overtuigd dat God van hen was en een beetje doof. Dus je moest hard genoeg schreeuwen en bij voorkeur ’s nachts, dan pas luistert Hij. Anderen waren dan weer aanhangers van het Niets, knepen hun lippen stijf dicht en verlangden naar watjes in de oren.

In mijn hoofd stuift zilt zeezand op terwijl ik uitwaai op het strand met mijn twee oudste vriendinnen. Een van hen draagt een grijs Chiro-rokje en stevige bottines. Alleen de vlechtjes zijn uit ons haar verdwenen. We lopen in een moment om niet te vergeten en dat later pas te weten, zoals zoveel momenten die we samen deelden.

Toch maar vasthouden en in de bewaarmap steken. Met sterretje.

Geplaatst in amusement, wereld | Een reactie plaatsen

de paraplu in het gat

- My memory card is full.

- ‘k en gezeid da’k men paraplu in zen gat gon steekn.

- Dames en heren, daar op de hoek is het allerkleinste gotische raampje van de hele wereld.

- Je prends un photo ici.

Ik ben naar het westen gereisd om de regen voorbij te zijn. Maar de druppels laten zich niet tegenhouden door weersvoorspellingen. Ze plenzen neer op de dwarsfluitende dames die discreet een euro van de toeristenmassa proberen te bemachtigen, ze plonzen in de ijsjes, op de kippenvelletjes in de zomershortjes, op de papierdunne fototoestelletjes – wanneer worden die dingetjes ooit zelfklikkend? Dat zou pas handig zijn: ze fotograferen helemaal autonoom als je op een place of interest bent terecht gekomen, zo hoef je nooit meer iets te missen. Als het op de foto staat, heb je het gezien. Als je mee op de foto staat, bewijs je je bestaan.

Dit is de plaats waar ik ooit de eed zwoer steeds naar terug te keren. In dit oord van ooit was ik meestal alleen. In de doodse stilte van ontelbare zondagnamiddagen zat ik op de stenen bank bij de buste van die strenge Spaanse meneer over het water te staren. Ik zou hier steeds opnieuw mezelf ontmoeten, vertelde ik mezelf. Wat er ooit gebeuren zou. Hoe dan ook. Hier zitten en denken over het leven. Altijd. Zo lang ik leef.

Ik was vijftien. Wist ik veel. Ik had geen benul van later. Geen benul van hoe het zou voelen als de cijfers bijna omgedraaid zouden zijn en ik me deze belofte aan mijn jonge zelf scherper dan ooit zou herinneren.

Van memory cards was geen sprake en van toeristen ook nauwelijks. Het kleinste gotische venstertje was een mooi geheim tussen deze plek en mezelf.

Hier is mijn bankje. Ik veeg de bezoekers met een fikse gedachtenzwiep de reien in en strek mijn benen uit. Hier is mijn balpen. Hier is mijn schrift. Hier zit ik en schrijf ik. Er is diep vanbinnen niets veranderd.

Geplaatst in schrijven, Uncategorized | Een reactie plaatsen

zonneslag

Als zelfs de inboorlingen klagen over de hitte, dan moet het echt wel warm zijn. De zon jaagt uitbundig op blote blonde hoofden, stadsplannetjes smelten sneller dan ijsjes in kleverige toeristenhanden.

Encore une pression, en vlug een beetje. Zwaluwen gieren in strakke vlucht, wespen zoemen suikerziek rond mijn oren.

Op weg naar zijn geliefde en zoveel koelere Parijs strompelt Toulouse Lautrec aan mij voorbij, zwaar leunend op zijn wandelstok, en tikt tegen zijn chapeau buse als kennisname van mijn bestaan. Niemand weet nog hoe het was in de achterkamertjes van zijn leven, maar wel nog hoe hij het ooit zag : een bekraste waarheid, het slordige vlees vol vals genot en vadsige vrijheid, weemoedige wulpsheid ontdaan van elke waan.

Tegenover mij aan het terrastafeltje schuift nu Sartre bij. Hij heft zijn pen hoog en schudt zijn pensées tot ze pijn doen. Gek van gek zijn sluit hij Simonne de Beauvoir in de armen als een boei. Laat me niet alleen, toe vergeet de tijd, toe vergeet de nijd…Ken je Jacques dan ook? vraag ik verbaasd, maar hij hoort me niet.

En daar is arme Vincent. Het zuiderlicht laait in zijn vermoeide ogen. De tooghangers lachen met zijn kapotte oor en spreken zijn naam uit vol spottende rochels zodat het klinkt als de voorkant van een varken. Ik bied hem een koffie aan maar hij schudt verlegen het hoofd. Geel zegt hij, en dat zijn kop er vol van zit, geel, hij moet het kwijt. De kladschilder, de klungelaar. Straks als je dood bent, fluister ik hem toe, gaan ze je werk aanbidden en ben je rijker dan de zee diep is. Hij lacht me vierkant uit.

Het is genoeg geweest. Een striemend hete saharawind veegt de tafeltjes schoon. De wesp verdrinkt in een genadeloos bodempje bier. Zonnebloemen buigen deemoedig het hoofd.

En ik, ik pekel gedachtenvlees voor magere winterdagen.

Geplaatst in amusement, schrijven | Een reactie plaatsen

waarlijk hoop

Om de tuin geleid door wegenwerken en onbestaande omleidingen verzeilde ik op een hobbelige steenweg van X naar Y, mijn innerlijk gps negerend die steeds harder “keer om waar mogelijk” gilde. Tenslotte belandde ik precies in dezelfde files die ik had proberen te vermijden, files die tot transcendente meditatie nopen omwille van hun schijnbare eindeloosheid.

Toen zat hij daar, langs de rand van de steenweg, discreet op de stoep van zo’n onopvallend rijhuisje. Maar ik herkende hem meteen aan zijn uniform: een blauwe overall, een klak met een onbestemde kleur over de ogen getrokken. Geen twijfel mogelijk, dit was een echte Straatobservator. Onvermoeibaar van links naar rechts en omgekeerd gaat zijn hoofd heen en weer. Een umpire op Roland Garros heeft er niets aan.

Het is middag als ik hem passeer, net als hij opstaat, want het interne schaft-signaal roept hem naar binnen, het is noen, monter stapt hij de keuken binnen alwaar de welverdiende dampende kom soep clichématig maar daarom niet minder lekker klaar staat.
“Een drukke maar schone voormiddag,” zegt hij tegen zijn vrouw als ze hem vragend aankijkt. “Veel rood, deze keer.”
“Ah, goed, heel goed.”
“’t Gaat er precies echt beter mee. De grijze zijn toch stilaan aan het verdwijnen. Of aan het verminderen. Ja, ik had toch die indruk.”
“We gaan er op vooruit,” zucht ze opgelucht.
Dan is er iets smekends in haar stem: “En was er een oranje bij, misschien?”
“En een oranje,” liegt hij vlotjes. “Maar geen gele,” voegt hij er waarheidsgetrouw aan toe.
Ze glimlacht zo breed dat hij geen spijt heeft van zijn leugentje.
“Er is waarlijk hoop!”
Hij knikt en legt zijn klak op tafel alvorens aan te schuiven aan de dis. “Wie weet wat de namiddag brengt,” zegt hij.
“Wie weet,” beaamt ze.
Dan deppen ze hun lepels in de stevige, diepe soep gemaakt van groenten van eigen gewin en vervult een vredig geslurp de keuken.

Geplaatst in amusement, wereld | Een reactie plaatsen

requiem voor een kat

Vaarwel, Wietje.

Je was een woeste poes. Geen aai-beest. Geen ‘laat ik maar vriendjes zijn met iedereen’ voor jou, niet met andere poezen, niet met mensen, niet met niemand. Legendarisch waren je klauwen, niet alleen voor muis en mus, maar ook voor elk menselijk lichaamsdeel dat bedreigend dicht in je buurt kwam.

Je gaf niet de indruk gevaarlijk te zijn, zoals je loom kwam aanslenteren en je tegen een willekeurig been aan schurkte en zelfs een beetje aan het spinnen ging. “Niet aankomen,” schreeuwden we dan in koor tegen de bezoeker die zich al voorover boog om je glanzende zwarte pels te strelen. Vaak tevergeefs… Na drie aaien (“zie je wel, mij doet ze niets hoor!”) was het prijs: raah! Een fikse krab in hand of arm en bloed dat vloeide. Je genoot van de ontsteltenis en wandelde waardig weg, een nieuw slachtoffer tegemoet.

Nu ben je echter niet meer. We missen je. Je bevelend gemiauw aan de achterdeur: “Eten en vlug een beetje!” De tuin-terreur die je bijna vijftien jaar op al wat leefde uitoefende.
Je ging tenonder aan iets kwaadaardigs binnen jou, en toen de dierenarts kwam, liet je je gewillig vangen. Dat was het einde. Je pels blonk niet meer. Je klauwen klauwden in het ijle.

Is er een poezenhemel? Zaai daar maar wat heerlijke rampspoed. Hemels zijn immers te saai voor woorden.

Geplaatst in wereld | Een reactie plaatsen