Vlak voor zijn vertrek kwamen er steeds meer buitenaardse wezens opdagen. Ze droegen een wit ruimtepak,dat hen van kop tot teen beschermde, en achter een troebel plastic scherm ging een zweem van ogen schuil. Geen monden. Alleen ogen, roodomrande ogen die bang en verdrietig tegelijk naar hem keken.
De ruimtewezens zagen er allemaal hetzelfde uit, en allemaal brabbelden ze wat onverstaanbaars buitenaards en maakten gebaren als om hem gerust te stellen dat de reis wel zou meevallen. Hij vertrouwde het niet, kromp ineen op zijn bed, schudde zijn hoofd. Begrepen ze het dan niet? Hij wilde niet op ruimtereis met die Marsmannetjes. Hij wilde alleen maar terug naar zijn vrouw die hij zo plots verloren had, zijn zonnetje, zijn maatje, zijn zijn zijn…
De buitenaardse wezen mochten hem niet aanraken. Telkens als er eentje te dichtbij durfde te komen, steeg er een dreigend geroezemoes op, orona, oloha, aloha…Aloha? Naar Hawaï. Daar omkransten ze je met bloemen en een glimlach. Mensen! Mensen hadden een mond en een glimlach. Waar waren alle mensen naartoe?
Naar Hawaï. Het sloeg nergens op, niets sloeg nog ergens op, en toen er een van die buitenaardsen toch te dichtbij kwam, moest hij zich tegenhouden om het monster niet een mep te geven. Zodat het tenminste ergens op zou slaan.
Maar ach, ze kunnen er ook niet aan doen. Zie ze daar hulpeloos staan, wapperend met hun behandschoende tentakeltjes, en nu schuifelen ze de deur uit, terug naar hun ruimteschip, waar ze ongeduldig wachten tot het biepen ophoudt en ze hem kunnen meenemen, waar naartoe, de ruimte is oneindig, de aarde slechts een knikkertje maar ergens, ergens is zij, en wacht ze op hem, zijn zonnetje, zijn meisje met de stralende lach.
Nu blijft alleen nog de biepende teletijdmachine hem gezelschap houden, en zolang die zijn eentonig liedje zingt, hoeft hij niets te vrezen. We gaan nog niet naar Mars, bijlange niet, bijlange niet.
Er staan twee hoge bomen voor het raam. Hun kruinen dansen tegen elkaar op in de schemering. Vanuit de teletijdmachine komt zijn kleindochter te voorschijn, gaat naast hem zitten en legt haar arm om zijn schouder. Samen kijken ze naar het dansende gebladerte.
“Dikke bomen, hé meisje,” zegt hij. “Ze zijn samen en hebben diepe wortels die onontwarbaar met elkaar verstrengeld zijn. Dat maakt hen sterk.” Hij vleit zich tegen haar aan en voelt haar stem binnenin trillen als ze zegt: “Jij en oma.”
Dat waren wij. Dat zal ik weer zijn, zodra ik terug bij haar ben.
Hij voelt de langgerekte fluittoon, nog voor hij ze hoort. Dan davert de stilte.
Buitenaardsen marcheren na enkele seconden de kamer binnen, koppelen hem los, pakken zijn lichaam in, maken het zorgvuldig klaar voor de ruimtereis. Hij heeft met hen te doen, want ze beseffen niet dat ze niet hem meenemen, maar een omhulsel dat niets meer te betekenen heeft.
“Arme oude man, net geen honderd geworden, en zo eenzaam moeten sterven.”
“Regels zijn regels. Niets aan te veranderen.”
De bomen bij het raam wroeten hun wortels diep in elkaar. Zij weten wel beter.