Brief die begint met twee regels van Czeslaw Milosz – Matthew Olzmann

Matthew Olzmann is een Amerikaanse auteur en leraar. In onderstaand gedicht drukt hij zijn wanhoop en woede uit over de problematiek van het wapenbezit en de willekeurige schietpartijen waarmee hij en zijn leerlingen dagelijks geconfronteerd worden, alsof dit de normaalste zaak van de wereld is. En vooral: over het feit dat er niets verandert…

Toen ik het gedicht in het Engels las, was ik diep onder de indruk. Daarom heb ik het vertaald, in de hoop dat hier zoiets nooit realiteit wordt en Kevlar voor ons altijd een zoek-het-op-woordje blijft.

Brief die begint met twee regels van Czeslaw Milosz – Matthew Olzmann

 

Jij die ik niet kon redden,

luister naar mij.

 

Kunnen we akkoord gaan dat Kevlar

rugzakken overbodig zijn

 

voor jochies die naar school wandelen?

Diezelfde kinderen

 

zouden ook geen harnas

moeten dragen terwijl ze staan

 

in hun voortuin, of scherpschutters

vragen als rugdekking

 

terwijl ze eten bij Mc Donalds.

Ze zouden niet moeten halt houden

 

om de snelheid te berekenen

van een kogel en hoe die zou kunnen

 

hun lichamen vertimmeren. Maar

op een winterdag daarginds in Detroit

 

deed een leerling van mij

een deur open en stierf.

 

Het was de voordeur

van zijn huis, maar

 

het had om het even welke deur kunnen zijn,

en de kogel had om het even welke naam

 

kunnen schrijven. De schutter

was dertien jaar oud

 

en was aan het mikken

op iemand anders. Maar

 

een kogel maalt niet

om “mikken”, die maakt geen

 

onderscheid tussen

de onschuldigen en de onschuldigen,

 

en hoe had de kogel

moeten weten dat

 

dit ene joch de deur zou opendoen

op het exact verkeerde moment

 

omdat zijn vriend

buiten stond te schreeuwen

 

om hulp. Zei ik dat

ik “een” leerling had

 

die een deur opendeed en stierf?

Dat is fout.

 

Er waren er veel.

Het leslokaal voor verdriet

 

telde veel meer banken

dan het leslokaal voor wiskunde

 

hoewel elke leerling

in het  wiskundelokaal

 

in staat was de namen op te tellen

van de doden.

 

Een kind opent een deur. De kogel

kan dat onmogelijk weten,

 

en het wapen ook niet, omdat

“wapens geen mensen doden”, ze hebben

 

geen gedachten waarmee ze beslissen

over dergelijke dingen, ze kiezen niet

 

en hebben geen geweten

en als een mens geen

 

geweten heeft, noemen we hem

een psychopaat. Op die manier

 

zien we wat voor soort automatisch geweer

een mens kan zijn,

 

en hoe we kunnen ontdekken

welke hel er roffelt binnenin

 

ieder van hen. Vandaag

is er weer een

 

schietpartij met dode

jochies overal. Het was een school,

 

een filmzaal, een parkeerterrein.

De wereld

 

is vol van deuren.

En jij, die ik niet redden kan,

 

jij doet misschien een deur open

 

en stapt binnen in een weiland, of in een grafrede.

Als het dat laatste is, dan word jij

 

betreurd, en daarna begraven

in mooie woorden.

 

Dan komen er

monumenten van wetten,

 

bloemetjes gemaakt

van bureaucratische regels.

 

Wat moeten we doen? zullen we ons

weer afvragen. De aarde zal zich sluiten

 

als een deur boven jou.

Wat moeten we doen?

 

En de klik die je hoort?

Dat zijn onze stemmen maar,

 

de grendel van de discussie

die op zijn plaats schuift.

 

Copyright Matthew Olzmann 2016

 

Geplaatst in herverteld, poezie, wereld | Een reactie plaatsen

Zo een

Dit gedicht schreef ik op 23 maart 2016 maar ik kwam niet toe aan publiceren: het was immers pas gisteren gebeurd. Nu, een jaar na  Maalbeek en Zaventem, is het nog steeds gisteren. Gisteren schreef ik dit, vandaag opnieuw:

Zo een

Drijfzand, dadendrang en een kop vol zwart.
Duivelse klauw, doe je werk en knijp,
Knijp zo hard je kan.

Moeder met kind
Meisjes met schooltas
Haastige pendelaar

Vuurwerk van bloed en ledematen en –

Die jonge moeder met het slaperig dochtertje in haar armen
Twee giechelende meisjes op spijbelpad
De haastige pendelaar die zich overslapen had

– en was jij geen mens dan?

Iemand streelde je haar  en zong voor je bij het slapengaan.
Duivelse klauw, doe je werk. Knijp haar weg.

Hou van me, mama. Hou me vast.

Wat deeltjes jij, wat deeltjes zij.
We zijn nog nooit
Zo een geweest.

Geplaatst in de geheime schatkist, poezie, stilte, wereld | 3 reacties

verontwaardiging is geen optie meer

Omdat het regent en  grijstinten de namiddag verdonkeremanen, spring ik in een impuls binnen bij Jeroen. Jeroen kent mij niet, maar ik hem wel. Zijn naam staat in sierlijke letters op de deur die hij net wagenwijd heeft opengezet.

Terwijl hij bloemen voor mij uitkiest en bijeen bindt tot een wonderlijk boeketje zomer  vertelt hij mij met een glimlach zijn wedervaren. Hoe druk hij het heeft en hoe hij Valentijn nog niet verteerd heeft of de lente komt er al aangedraafd en hoe hij vorige nacht naar Nederland is gereisd om er plantjes op te halen, en hoe vanavond alweer een grote bestelling wacht en gelukkig produceert zijn koffiemachine sterke koffie en nee, een dutje zit er niet in, dat is voor na zijn pensioen.

Ikzelf, niet zo’n babbelaar, hou het bij een knikje en de vraag of hij zijn bloemetjes niet te uitgebreid wil inpakken omdat ik er zo meteen de verpakking toch weer afscheur maar zo naakte bloemetjes meegeven krijgt hij niet over zijn hart en hij doet er toch  een bescheiden papiertje rond, en het liefst zou ik hem vragen of hij gelukkig is met zijn fleurig leven, en of hij zich soms ook zorgen maakt om de wereld, en waarom hij me van alles vertelt dat ik niet meteen wil weten.

Maar zo is het. De ene kan niet stoppen met praten, de ander kan niet stoppen met zwijgen.

Als ik thuis kom, kan ik een flinke portie Pink Floyd gebruiken en youtube bezorgt me die in zo’n overvloed dat ik er de plotse veeltalige advertenties maar bij neem, ze zijn immers signalen uit mijn wereld, hoe hard ook ik er soms niet wil bij horen.

Ik heb Jeroens zomerbloemen nodig omdat ik je iets wil vertellen over verontwaardiging. En over hoe we misschien eindelijk een andere emotie nodig hebben in de wereld. Een emotie die lijkt op de oranje, doornloze rozen die hij me zopas verkocht. Een beetje gemanipuleerd misschien, maar doeltreffend om de vicieuze cirkel te doorbreken.

Zie je, ik ben er stilaan van overtuigd dat onze jarenlange collectieve verontwaardiging monsters heeft gebaard die dan de wereld zijn gaan regeren en weerom nieuwe verontwaardiging in het leven roepen en misschien nog meer monsters. Zodat we gaan vergeten dat in elk monster een klein jongetje schuilgaat die de aandacht van zijn papa wil trekken en schreeuwt om liefde. Tiens, toch blijkbaar allemaal, jongetjes.

Misschien redt humor de wereld wel. Ik merk met plezier de satire op die grote delen van de USA opnieuw verenigt.

Welke wereldleider (m/v/x) krijgen we cadeau als we allemaal kreupel liggen van het lachen omdat huilen geen optie meer is?

Het proberen waard.

Geplaatst in amusement, de geheime schatkist, muziek, wereld | 5 reacties

Zo klaar als een kemel

Eindelijk had de man het voor elkaar gekregen. Verwoed had hij het meest kostbare goed op aarde bijeengegaard door vindingrijkheid te combineren met spaarzaamheid en geduld, tot hij er tenslotte genoeg goeds van verzameld had. Genoeg tijd om die lang-gedroomde reis te maken, geen gewone reis, maar een pelgrimstocht naar de tempels van de hoogste wijsheid, samen met zijn goeroe die hem de weg zou tonen naar de plekken waar het licht gevonden kon worden door diegenen die er klaar voor waren. En klaar was hij, hij had geregeld en georganiseerd, gepuzzeld en gerekend, maar hij was, dat stond vast, klaar. Klaarder kon een mens niet worden.

Omdat in deze dagen van jachten en jagen compromissen onvermijdelijk blijven, huurde hij een terreinwagen met gps om hem en zijn goeroe alvast een eind op weg te helpen, zodat hij die dure tijd meer zou kunnen besteden aan het daar-zijn dan aan het onderweg-zijn. Hoewel de goeroe niet onder de indruk was van die redenering en mompelde dat je er al was door er naar toe te gaan, installeerde hij zich toch comfortabel in de wagen, lachte kakelend om de dwingende vrouwenstem die uit het bakje met de bewegende landkaart kwam (“heb je je vrouwtje toch meegenomen?”), vouwde zijn grauwe deken om zijn oranje jurk en dommelde al in nog voor ze de bergen in reden.

Zo voelt het, dacht de man, zo voelt het om onderweg te gaan naar waar je altijd al hoorde te zijn, en draaide het raampje open om de ijle berglucht in te ademen. Bijna zou hij gaan zingen, maar hij kende het lied niet dat bij dergelijke plechtige gelegenheid paste, en bovendien wilde hij zijn goeroe niet wakker maken. Hij probeerde daarom ook voorzichtig te rijden, de keien en putten op de weg te vermijden, hoewel hij stiekem ook graag zijn gevoelens meteen had geuit nu ze zo intens waren. Maar daar was nog tijd genoeg voor, straks bij het kampvuur onder het gunstige gesternte dat hij met zijn geliefde leraar zou delen.

Was het een zinsbegoocheling? Hij zou nochtans achteraf zweren dat het hij dier echt had gezien. Het stormde uit het niets (“letterlijk uit het niets, naast ons was een afgrond”) de weg over, zodat hij scherp naar de andere kant moest uitwijken (“een geluk bij een ongeluk, anders zat ik hier niet om het na te vertellen,”) en in volle vaart op de hoge rotsblokken inreed, die daar opzij waren gegooid bij de aanleg van de weg. De carrosserie kraakte, scheurde, de motor rookte. Het dier verdween achter de hoge stenen met een schreeuw, de wagen kantelde, de vrouw in het bakje krijste: “keer om waar mogelijk”, en met een verbazende helderheid en innerlijke rust zette hij de motor af, hielp de goeroe om zich uit de wagen te worstelen, klom er zelf ook uit, en rende samen met zijn meester weg van de nu reeds brandende wagen.

“Een kameel,” hijgde hij, “een verdomde rotkameel op de weg! Hoe is het mogelijk?”

“Een kameel,” herhaalde de goeroe bedachtzaam. “En waar heb je die kameel vandaan gehaald?”

“Hoe bedoel je, hij was er gewoon. “

“Een kameel hoort niet in deze bergen thuis,” zei de goeroe. “Dus waarom heb je die tevoorschijn gehaald?”

“Je bedoelt toch niet dat ik verantwoordelijk ben voor de verschijning van dat beest?”

Maar dat was precies wat de goeroe bedoelde. Hij ging niet in op veronderstellingen zoals dat het dier ontsnapt was uit een circus, het een kameelachtige lama kon zijn of bultig paard, of hallucinatief sprookjesbeest verbeeld door vermoeidheid. Nee, het was en bleef een echte kameel. Meer nog, zijn eigen persoonlijk geïmporteerde kameel.

Na een dagenlange voettocht arriveerde hij terug in de stad, en telefoneerde zijn vrouw. Ze had nauwelijks interesse voor zijn relaas. “Dus je hebt mijn boodschap gekregen? Wat een opluchting! Wanneer kan je thuis zijn? Het is echt verschrikkelijk….”

(een soortgelijk verhaal werd me verteld door een vriend die het oorspronkelijk las in een boek van Rushad Feild, wat ik hier met genoegen in mijn verbeelding laat sudderen en navertel…)

Geplaatst in de geheime schatkist, herverteld | Een reactie plaatsen

weten waarom je weent

Wekenlang hield ik als een havik de statistieken van RealClearPolitics in de gaten. Daar kon je zien hoe het ging in de grote ruzie tussen een kwaaie opa met raar stro-achtig kanariegeel haar en een kille oma met duur en perfect kapsel. Ze maakten ruzie over wie de baas mocht worden van het machtigste land van de wereld. Waar god overdadig aanwezig is door het voortdurend te zegenen.
Opa zei heel gemene dingen over alles en iedereen, en ook over oma natuurlijk, die hij in de gevangenis wou stoppen. Hij hield van muren bouwen en van stinkende kolenkachels en kende geen ander kleur dat dat van zijn eigen huid.
Van oma wist ik niet zoveel, behalve dat ze schril klonk en minstens even rijk was als opa, maar dan discreter en beschaafder, al liet ze zich soms wel eens na een glaasje champie laatdunkend uit over opa en zijn lompe vrienden.
Daar werd opa natuurlijk woest van. En zijn vrienden ook. Zijn vrienden hadden bovendien wapens. Dat moet ik er je bij vertellen. Ze waren ooit cowboys geweest en hadden nooit die domme indianen begrepen, die maar bleven herhalen dat je geen land kon bezitten, maar dat jij van het land was en niet omgekeerd.
Moeilijk toch. Maar oma zou winnen, dat zeiden de statistieken. We zouden dus kunnen blijven beschaafd doen. Ik was er niet gerust in, mij andere overwinningen herinnerend die onmogelijk hadden geleken en toch realiteit waren geworden.
Tijdens de nacht waarop mijn meest geliefde Bard vermoedelijk stierf, deelde opa de genadeslag uit aan oma. Hij won het spelletje superstratego en mag nu baas zijn van het grote land. Oma zweeg lang en waardig en vertelde daarna dat ze dankbaar was dat ze had mogen meespelen, en hoe we later zelf oma konden worden en misschien zelfs baas, als we maar flink onze spinazie opaten.
Opeens was er zoveel om over te rouwen dat er geen beginnen aan was. Die woeste gele kop van opa overal. De boodschap over de dood van mijn geliefde Bard werd eindelijk de wereld ingestuurd. Veel mensen besloten dat ze nu eindelijk niet meer hoefden te doen alsof ze beschaafd waren. Vele anderen huilden, omdat ze iets verloren hadden waarvan ze nooit hadden geweten dat ze het hadden gehad.
Houdt opa nu zijn vinger boven de Knop met een wrede grijns op zijn gezicht? Gaat oma lekker wandelen met haar kleinkinderen en probeert ze opa zelfs in haar nachtmerries te vergeten? En wie zal zich straks de Bard nog herinneren, zijn deukhoed, zijn sigaret, zijn stem, zijn liedjes over liefde en pijn?
En hoe moet het met de wereld?
Met de wat? De wereld? Mijn soep staat op, nu even geen tijd, dank u!

Geplaatst in muziek, wereld | 1 reactie

Mijn ergste gewoonte – Rumi

Mijn ergste gewoonte is dat ik zo moe word van de winter.
Ik ben een marteling voor al wie bij me is.
Zodra je niet hier bent, groeit er niets.

Ik verlies helderheid. Woorden verwarren en verstrikken.

Hoe heel je vuil water? Stuur het terug naar de rivier.
Hoe heel je slechte gewoontes? Stuur me terug naar jou.

Als water zich laat vangen in de draaikolken van gewoontes
Graaf je dan een weg naar buiten, doorheen de bodem
Naar de oceaan. Er is een geheim medicijn
Dat alleen zij krijgen, die doorheen de pijn niet meer aan hoop toe zijn.

De hoopvollen zouden zich beledigd voelen indien ze dit wisten.

Kijk zolang je kan naar de vriend van wie je houdt
Ongeacht of die vriend van je weggaat of zich naar je toe beweegt.

(Engels: Coleman Barks “My worst habit”)

Geplaatst in poezie, rumi | Een reactie plaatsen

geloven maar niet zien

Jarenlang heeft de meester zijn krijgskunst geperfectioneerd en nu is hij onoverwinnelijk. Een ongeziene kracht heeft hij ontwikkeld waarmee hij elke aanvaller kan verslaan. Meer nog, hij hoeft zijn tegenstander zelfs niet meer aan te raken. Met een eenvoudig gebaar van zijn arm, wordt elke leerling die hem probeert te naderen met ongeziene kracht weggeslingerd. Keer op keer proberen ze hem te raken, keer op keer worden ze als door een tyfoon weggeblazen. Hijgend en zwetend vallen ze voor zijn voeten neer in stomme verbazing voor zoveel meesterschap. Van heinde en verre komen ze nu naar hem toe om door hem onderwezen te worden.

Op een dag staat er een buitenstaander de meester op te wachten. Een jongetje met bonenstaken als benen, en schriele armpjes. De leerlingen waarschuwen hem: wat kom jij hier doen? Onze Meester maakt appelmoes van jou! Wat denk je wel, dat je jouw miezerige krachtjes zo maar met Zijn Verfijnde Energie kan meten?

De magere jongen blijft staan, vastberaden.

Op de hoogte gebracht door zijn volgelingen schrijdt de meester op zijn uitdager af. Mild, want ongenaakbaar. Hij hoeft zich niet te bewijzen.

“Dus jij wil met mij vechten? Ga naar huis, ventje, je moeke heeft viskes gebakken.”
De jongen staart hem zwijgend aan, zijn armen gevouwen voor zijn borst.
“Ik waarschuw je nog één keer. Dit gaat pijn doen.”

De grootmeester maakt zich klaar voor de strijd. De jongen staart en zwijgt.

“Wie niet horen wil, moet voelen,” schokschoudert de grootmeester. Hij trekt zijn kleed recht, kijkt om zich heen naar de kring van leerlingen die zich rondom hem en de jongen heeft gevormd. “Ziehier wat gebeurt als hoogmoed de bovenhand neemt,” spreekt hij de leerlingen toe.

Nu verschijnt er een glimlach om de mond van de jongen. Dat ergert de meester. Hij heft zijn hand. De leerlingen sidderen en voelen zelfs vanop afstand zijn groeiende woede. Ze krimpen ineen en houden zich aan elkaar vast om niet zo meteen omver te vallen bij zijn uithaal.

Zaash! De leerlingen buigen als rietstengels. Een enkeling valt reeds neer. En opnieuw, maar nu veel heftiger. En nog een derde keer. Geen van de omstaanders blijft overeind. Niemand durft nog de ogen te openen, bevreesd om het lot van die uitdagende, dwaze jongen, een kind nog.

Zodra ze hun ogen openen, zien ze het: de jongen staat nog rechtop, en de glimlach is niet van zijn lippen verdwenen.

Hun meester is als versteend. Nog steeds glimlachend loopt het kind op de grote man toe, en geeft hem een vriendelijk klopje op de schouder, alsof hij wil zeggen “goed geprobeerd, volgende keer beter.”

Langzaam verwijdert hij zich van de groep en loopt met lange passen het bergpad op, terug van waar hij gekomen was.

In de stilte die volgt, hapt de moedigste der leerlingen naar adem, en rent naar de meester toe. Maar die wuift hem weg met een vermoeide arm. Zelfs bij die geringe beweging valt de leerling meteen neer op de knieën en schreeuwt het uit van de pijn.

De andere leerlingen achtervolgen de jongen die fluitend het bergpad op wandelt. Ze houden hem staande. “Jij hebt waarlijk magische krachten. Wil jij ons alsjeblieft vertellen hoe je onze meester hebt verslagen, zodat ook wij aan hem kunnen weerstaan? “
“Natuurlijk,” zegt de jongen minzaam, “geen probleem.”
“Vertel het ons dan.”
“Het is heel eenvoudig: kijk naar wat er werkelijk is, in plaats van alleen maar te geloven.”
Teleurgesteld staan ze allemaal op.
“Je houdt ons voor de gek.”
“ Je bent een grote egoïst als je je geheim niet met ons wil delen.”
“De meester leert ons tenminste hoe ook wij zo sterk kunnen worden als hij, maar jij…”

De jongen haalt zijn schouders op. En hoewel ze allemaal veel sterker zijn dan hij, en dreigend tegenover hem staan, voelt hij zich volkomen veilig. Hij weet dat ze alleen geloven en niet zien.

Geplaatst in wereld | 1 reactie