Op de ochtendtrein grabbelt een stevig gebouwde dertiger op weg naar obesitas met onverholen gretigheid in een kleurige plastic zak die chocoladebrood (met echte stukjes chocolade) adverteert. Een sneetje en dan nog eentje, en dan eentje om het af te leren, en een laatste omdat we er bijna zijn. Een echt smoefelaartje.
Dat de uiterste verbruiksdatum van zijn brood drie maanden in de toekomst ligt en er iemand stinkend rijk wordt op zijn ongezondheid, zou hij daar ooit van wakker liggen?
Langzaam haalt de wetenschap de intuïtie in. Mijn kwaliteitskrant die zich te buiten gaat in de pittige selectieve weetjes, vertelt me wat goed voor me is. Bomen zijn goed voor me. Dat is al enkele dagen statistisch bewezen. In tegenstelling tot fabrieksbrood, bevorderen ze het welbevinden op langere termijn. Onder een boom gaat alles beter. Wat een opluchting dat ik niet heb zitten wachten op de verspreiding van dit bericht.
Waar ik ook niet op heb zitten wachten, en wat me enige gefronste wenkbrauwen heeft bezorgd, is de beslissing om geen tv in huis te halen. Ook niet omwille van de kinderen. Zeker niet omwille van de kinderen. “Maar ze moeten toch mee zijn?” is een veelgestelde vraag. Ik heb nooit begrepen waarmee. Mijn kinderen zijn ondertussen best trots op dat tv-loos leven en halen hun schouders op als er commentaar komt. “Ik zou doodgaan zonder,” zei een vriendinnetje onlangs tegen mijn jongste dochter. Het omgekeerde is echter waar. Je gaat vroeger dood mét. Je wordt daarenboven gevoelig dommer, slomer, suikerzieker, alzheimeriger. Benieuwd echter hoeveel bewuste burgers er na het lezen van alle onweerlegbare bewijsmateriaal hun kankerbak op de schroothoop gooien.
Nu die andere lichtbak nog.
Over kamikazekonijnen gesproken: Graag was ik de voorbije dagen een vlieg geweest tegen het plafond van de anderzijds vlekkeloze kantoren van een Brave Slechte Bank, schoongemaakt tegen een hongerloon door zwarte madammekes die het daglicht niet mogen zien.
“Ge hebt er toch weer een ongelooflijk zootje van gemaakt!”
“Wij? Nee hoor. De conjunctuur, die heeft het gedaan. Wij hebben alleen maar gegozzeld, gegokt, gegulzigd, gegraaid. Maar als het niet van de conjunctuur was geweest…”
“Dus zullen we u moeten redden. Dat is onze heilige plicht. Voor volk en vaderland.”
“Dank u. Ik had niets anders verwacht. In ruil daarvoor zullen we discreet zijn met het uitbetalen van de eindejaarsbonussen voor de topmanagers. Een witte envelop zonder opschrift en geen kaviaar bij de toastjes.”
“En wat zeggen we tegen de kleine belastingbetaler?”
“Dat hij zijn broeksriempje nog een gaatje verder moet dichtsnoeren. We zullen hem een sleutelhanger geven met Nieuwjaar als blijk van vertrouwen.
“Niet overdrijven. Hou het low profile. En zorg dat het geen derde keer gebeurt!”
“Ach kom nou. Als het regent, knippen we toch allemaal onze paraplu open. Wie er geen heeft, krijgt alle druppels. Eigen schuld, dikke bult. Zangerige burgemeesters doen het, rondbuikige ex-politici doen het, je zou nat worden als je het niet doet.”
“U heeft gelijk. Als de Haan driemaal kraait, stoot de steenezel zich tegen dezelfde pot die de ketel verwijt dat hij een doorn in het oog heeft.”
“Een waarheid als een verdronken koe. Mag ik u nu uitnodigen voor een kleine versnapering in mijn zevensterrenhotelletje?”